Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Een scholingsbeding is een clausule waarin een werknemer die tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst op kosten van de werkgever een opleiding krijgt, zich ertoe verbindt om de werkgever een deel van de opleidingskosten terug te betalen indien hij de onderneming verlaat.

De toepassingsvoorwaarden met betrekking tot dit beding zijn bijzonder streng. Om werkgevers aan te moedigen in de opleiding van hun werknemers te investeren, wordt de minimumloonvoorwaarde geschrapt wanneer het beding betrekking heeft op een opleiding voor een beroep dat of een functie die voorkomt op de lijsten van knelpuntberoepen of moeilijk in te vullen functies.

Hierna vindt u een overzicht van alle voorwaarden om een geldig scholingsbeding te sluiten.

 

Voor welke werknemers?

Een scholingsbeding kan alleen worden gesloten in het kader van een overeenkomst van onbepaalde duur. Sectoren kunnen d.m.v. cao's bepaalde categorieën van werknemers en/of opleidingen uitsluiten van de toepassing van het scholingsbeding.  Voor het PC 124 (arbeiders bouw) en het APCB 200 – bedienden werd dit niet gedaan

Het jaarloon van de werknemer moet meer bedragen dan 34.180 euro (in 2018) – 34.819 euro (in 2019), zo niet is het beding ongeldig. 

De voorwaarde m.b.t. het minimumjaarloon is vanaf 10 november 2018 geschrapt voor bedingen die betrekking hebben op opleidingen voor een beroep dat of functies die voorkomen op de lijsten van knelpuntberoepen of moeilijk in te vullen functies van de gewesten. De plaats van tewerkstelling bepaalt welke van deze lijsten van toepassing is. Bij koninklijk besluit kan ook een afwijkende lijst worden opgesteld. 

Voor Vlaanderen kan deze lijst geraadpleegd worden op de website van de VDAB www.vdab.be.  Op deze lijst zijn de meeste bouwberoepen opgenomen.

 

Vormvoorwaarden

Het beding moet schriftelijk worden vastgesteld voor elke werknemer afzonderlijk en ten laatste op het ogenblik waarop de beoogde opleiding aanvangt. Het beding kan dus zowel bij de indiensttreding worden gesloten als tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 

Het schriftelijk stuk moet het volgende vermelden:

  • een omschrijving van de overeengekomen opleiding, de duur van de opleiding en de plaats waar de opleiding zal plaatsvinden;
  • de kosten van deze opleiding of, ingeval deze kosten niet in hun geheel kunnen worden bepaald, de kostenelementen die het mogelijk maken om de waarde van de opleiding te schatten. Het loon verschuldigd aan de werknemer in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst evenals verplaatsings- of verblijfskosten kunnen geen onderdeel vormen van de opleidingskosten.
  • de begindatum en de geldigheidsduur van het scholingsbeding. Indien de opleiding aanleiding geeft tot het afleveren van een attest, valt de begindatum van de geldigheid van het scholingsbeding samen met de aflevering van dat attest.
  • Het terug te betalen gedeelte van de scholingskosten door de werknemer als deze de onderneming vóór het einde van de geldigheidsduur verlaat (zie verder).
 

Eisen m.b.t. de opleiding

De opleiding moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • een specifieke opleiding die het mogelijk maakt om nieuwe professionele competenties te verwerven die ook buiten de onderneming kunnen worden gevaloriseerd;
  • de opleiding mag niet voortvloeien uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep uit te oefenen;
  • de opleiding moet ten minste 80 uur duren of, ingeval dit aantal uren niet wordt bereikt, de kosten moeten ten minste het dubbele bedragen van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen voor werknemers van 21 jaar of ouder (3.187,62 euro vanaf 1 september 2018).

Als aan één van die voorwaarden niet wordt voldaan, wordt het scholingsbeding geacht onbestaande te zijn. 

 

Geldigheidsduur van het beding en terugbetaling door de werknemer

De geldigheidsduur van het scholingsbeding moet worden vastgesteld rekening houdend met de kosten en de duur van de opleiding en mag niet meer dan drie jaar bedragen.

Werknemers die de onderneming verlaten vóór de in het scholingsbeding bepaalde duur is verstreken, moeten een deel van de opleidingskosten terugbetalen aan de werkgever.

Het terug te betalen bedrag mag niet hoger zijn dan: 

  • 80% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt vóór 1/3 van de overeengekomen periode;
  • 50% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt tussen 1/3 en uiterlijk 2/3 van de overeengekomen periode;
  • 20% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt na 2/3 van de overeengekomen periode. 

In het kader van een scholingsbeding mag het bedrag nooit hoger zijn dan 30% van het jaarloon van de werknemer.   

 

Uitwerking van het scholingsbeding

Ter herinnering: een scholingsbeding heeft geen uitwerking indien:

  • de arbeidsovereenkomst hetzij door de werknemer, hetzij door de werkgever wordt beëindigd in de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden door de werkgever wordt beëindigd na de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden door de werknemer wordt beëindigd na de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in het kader van een herstructurering zoals bedoeld in de wet betreffende het generatiepact.

De werknemer blijft houder van zijn diploma's of certificaten en moet beschikken over het origineel of een door de opleidingsinstantie voor eensluidend verklaard afschrift.

 

Wettelijke referenties

  • Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de versoepeling van het scholingsbeding en de invoering van een scholingsbeding voor knelpuntberoepen (B.S. 31 oktober 2018, 1ste editie)
  • Artikel 22 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

ARBEIDERS (P.C. 124)

1 Realisatie van de arbeidsduurvermindering

In de bouwnijverheid wordt de arbeidsduurvermindering gerealiseerd via het toekennen van 12 rustdagen per jaar. Op die manier wordt de effectieve wekelijkse arbeidsduur, die nog steeds 40 uur bedraagt, op jaarbasis teruggebracht tot 38 uur.

De reglementaire basis van het stelsel van de rustdagen vinden we vooreerst in het KB nr. 213 van 26 september 1983. De arbeiders uit de bouwnijverheid hebben op basis van dit KB voor elk jaar recht op 6 rustdagen. De overige 6 rustdagen worden toegekend op basis van een CAO die telkens in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf wordt afgesloten.

De data van 12 inhaalrustdagen voor 2018 werden vastgesteld op:

2, 3, 4 en 5 januari, 3 en 30 april 2018 (op grond van het KB van 2 november 2017 (BS van 4 december 2017) dat het KB nr. 213 uitvoert);

11 mei, 24, 26, 27, 28 en 31 december 2018 (op grond van de CAO van 29 juni 2017 – KB van 25 februari 2018 – BS van 9 maart 2018).

 

2 Verbod op tewerkstellingen en uitzonderingen

Tijdens de 12 inhaalrustdagen geldt er een principieel verbod tot tewerkstelling, zowel ten aanzien van de bouwvakarbeiders, de bedienden, leerlingen als uitzendkrachten in de bouw. 

Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor de volgende gevallen:

a) in de gevallen waar arbeid op zondag is toegestaan (artikel 12 van de Arbeidswet van 16 maart 1971). Het gaat hierbij om ofwel:

- het toezicht op de bedrijfsruimte;

- het schoonmaken, herstellen en onderhouden, in zoverre deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn, alsmede de werkzaamheden buiten de productie, die nodig zijn voor de regelmatige hervatting van het bedrijf na de sluitingsperiode van de bouwplaatsen (bv. schilderwerken in een school tijdens de kerstvakantie);

- arbeid verricht om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of een dreigend ongeval (bv. strooiwerkzaamheden op de wegen, het herstellen van een beschadigd stuk wegdek wanneer dit niet kan uitgesteld worden);

- dringende arbeid aan machines of materieel, en arbeid die door een onvoorziene noodzaak wordt vereist;

- arbeid om beschadiging van grondstoffen of voortbrengselen te voorkomen.

b) wanneer de arbeiders belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen, met uitzondering van het vervoer. De ondernemingen voor de handel in bouwmaterialen moeten aan het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf de toestemming vragen en verkrijgen voor het tewerkstellen van arbeiders op zaterdagen (volgens de procedure die beschreven werd in de CAO van 30 juni 1980). 

c) wanneer ze tewerkgesteld zijn in de ondernemingen die op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen, gewoonlijk een periode van intense activiteit kennen.

Van dit uitzonderingsgeval kan enkel gebruik gemaakt worden tijdens de laatste zes rustdagen (11 mei, 24, 26, 27, 28 en 31 december 2018).

Onder een "intense activiteit" wordt een “activiteit verstaan die normaal gezien aanleiding zou kunnen geven tot het verrichten van bijkomende uren”. Dit uitzonderingsgeval geldt vooral voor de installateurs in centrale verwarming. 

Het werken tijdens de inhaalrustdagen kan niet gerechtvaardigd worden omdat een bepaalde uitvoeringstermijn nageleefd dient te worden. 

Wanneer van één van de uitzonderingen op het verbod tot werken tijdens de inhaalrustdagen gebruik gemaakt wordt, moet geen toelating bij de sociale inspectie aangevraagd worden. De werkgever beslist op eigen verantwoordelijkheid tot het werken tijdens de inhaalrustdagen. Wel dient een mededeling te gebeuren aan de Inspectie van de Sociale Wetten van het district waar de werken worden uitgevoerd. Deze mededeling moet indien mogelijk vooraf gebeuren, zoniet uiterlijk 24 uur na het begin van de werkzaamheden.

 

3 Vervanging van de gewerkte inhaalrustdagen

De arbeiders die tijdens één of meerdere inhaalrustdagen moeten werken, ontvangen hiervoor hun normaal loon en hebben recht op inhaalrust, die normaal binnen de 6 weken moet toegekend worden. Wanneer er arbeid werd verricht in een periode van intense activiteit, wordt deze termijn op 7 maanden gebracht.

De vervangingsrust bedraagt:

- één volle dag, indien de arbeid langer dan vier uur heeft geduurd;
- tenminste een halve dag, indien hij niet langer dan vier uur heeft geduurd. In dit geval moet de vervangingsrust vóór of na 13 uur verleend worden en mag er op die dag niet langer dan vier uur arbeid worden verricht;

en mag uiteraard niet samenvallen met rusttijden die ingevolge bv. het werken op zondag of het verrichten van overuren moeten toegekend worden. 

Arbeiders die tijdens de inhaalrustdagen werkten en nog niet alle gepresteerde dagen recupereerden, mogen niet tijdelijk werkloos gesteld worden vooraleer deze inhaalrustdagen genomen werden. 
 
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de werkgever het aantal niet toegekende inhaalrustdagen op het bewijs van volledige werkloosheid C4 vermelden.

 

4 Sancties

De werkgevers, hun lasthebbers of aangestelden die:

- de inhaalrustdagen niet toekennen;
- arbeid laten verrichten tijdens deze dagen behalve in de uitzonderingsgevallen;
- de inhaalrust bij toegelaten arbeid op een inhaalrustdag niet toekennen binnen de voorgeschreven termijn;

kunnen een sanctie van het niveau 2 volgens de bepalingen van het Strafrechtelijk Wetboek oplopen (geldboete van € 50 tot € 500 (x 6)) of kunnen een administratieve geldboete (van € 25 tot € 250 (x 6)) oplopen.

 

5 Vergoeding voor de inhaalrustdagen

Voor de inhaalrustdagen moet geen loon worden betaald door de werkgever. De vergoeding van de rustdagen is voor de bouwvakarbeiders ten laste van het Fonds voor Bestaanszekerheid (FBZ): zij betaalt een vergoeding voor de rustdagen uit via de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen (= de vakbonden of de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen).

Iedere arbeider heeft in principe recht op de betaling van alle rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Er is geen anciënniteitsvereiste, noch een pro-rataregeling.

Het bedrag van de vergoeding is afhankelijk van de looncategorie waartoe de arbeider behoort en wordt door het FBZ-Bouw vastgesteld op basis van het uurloon van de arbeider zoals opgenomen in de DMFA-aangifte van het 3de kwartaal. Bij een deeltijdse tewerkstelling wordt bij de berekening van de vergoeding rekening gehouden met de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur zoals vermeld in de DMFA-aangifte. Voor de arbeiders die in het 4de kwartaal worden aangeworven, wordt er gewerkt op basis van de DIMONA-aangifte.

Merk op! Pro-ratavergoeding rustdagen bij overmatig gebruik economische werkloosheid 

Het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf heeft op 12 september 2013 een CAO ondertekend met een bijkomende maatregel om het overmatig gebruik van economische werkloosheid te ontraden.

Arbeiders die op jaarbasis 75 dagen of meer economische werkloosheid tellen, zullen voor de rustdagen voortaan een vergoeding van het Fonds voor Bestaanszekerheid ontvangen die pro rata berekend is in functie van de gepresteerde dagen en dit volgens de volgende formule:

baremiek dagbedrag x gepresteerde dagen in referteperiode 
                                                           229

Het pro-ratadagbedrag kan niet lager zijn dan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding die wordt toegekend aan een werknemer met gezinslast  dat geldig is op 1 oktober van het jaar waarin de hoofdperiode van de rustdagen een aanvang neemt. Indien het resultaat van de voormelde berekening kleiner is dan dit minimumbedrag, wordt een pro-ratadagbedrag toegekend gelijk aan dit minimumbedrag.

Bovendien zal het Fonds de pro-ratavergoeding terugvorderen bij de werkgevers.

Indien de arbeider in de referteperiode bij slechts één werkgever was tewerkgesteld, wordt de volledige pro rata berekende vergoeding teruggevorderd bij deze werkgever.

Indien de arbeider in de referteperiode bij meerdere werkgevers was tewerkgesteld, wordt er enkel overgegaan tot terugvordering bij die werkgever(s) bij wie er een overmatig gebruik van economische werkloosheid geweest is voor de betrokken arbeider in de referteperiode.

Er is een overmatig gebruik van economische werkloosheid (EW) wanneer het resultaat van de volgende formule groter of gelijk is aan 0,3275:

             aantal dagen EW bij werkgever (WG)                      
aantal dagen DmfA bij WG – vakantiedagen – rustdagen

Het terug te vorderen bedrag wordt als volgt berekend:

bedrag pro rata x aantal dagen EW bij WG
        aantal dagen EW in referteperiode

De maatregel kadert in de afspraken tussen de sociale partners in de bouw om het structureel evenwicht in het budget van het Fonds voor Bestaanszekerheid te behouden, en is in werking getreden op 1 januari 2013.

 

6 Overhandiging en uitbetaling via het attest “Inhaalrustdagen”

De vergoedingen voor de rustdagen worden door het Fonds voor Bestaanszekerheid al voorberekend via het speciaal formulier “Rustdagen” dat begin december op naam van iedere arbeider aan de bouwbedrijven verstuurd wordt. De werkgever dient de berekening gemaakt op dit formulier na te kijken: indien het attest juist is, moet het aan de arbeider overhandigd worden.

Het totale bedrag “Rustdagen” wordt bekomen door het aantal vergoedingen waarop de arbeider recht heeft (rubriek II van het formulier) te vermenigvuldigen met het dagbedrag dat overeenstemt met de beroepscategorie van de arbeider (cfr. barema onder rubriek III van het formulier).

 

7 Correctie van het aantal voorberekende inhaalrustdagen

In sommige gevallen heeft een arbeider geen recht op de betaling van bepaalde rustdagen, niettegenstaande die dagen binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Dit is het geval wanneer zijn arbeidsovereenkomst op dat ogenblik geschorst is om één van de volgende redenen:

- wederzijdse instemming;
- arbeidsongeval of beroepsziekte;
- volledige loopbaanonderbreking of volledig tijdskrediet;
- beroepsopleiding;
- voorlopige hechtenis;
- ongerechtvaardigde afwezigheid of onbetaald verlof.

Bij schorsing wegens ziekte behoudt de arbeider het recht op betaling van de rustdag door het FBZ behalve wanneer deze schorsing al ononderbroken loopt sinds 1 januari van het jaar waarop de rustdag betrekking heeft. In geen geval kan de zieke arbeider echter de rustdag op een later tijdstip inhalen.  

In een aantal andere gevallen heeft een arbeider na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht op de betaling van rustdagen die buiten de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen:

- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die ontslagen werd (behalve om dringende reden) in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen op het einde van het jaar, heeft nog recht op betaling van de rustdagen van de hoofdperiode op voorwaarde dat hij op dat ogenblik nog volledig werkloos is. Werknemers die brugpensioen of begeleidende maatregelen genieten, hebben echter geen recht meer op de betaling van de rustdagen van de hoofdperiode;
- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van minstens drie maanden welke een einde nam in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, heeft recht op de betaling van een gedeelte van de rustdagen. Ook hier is de voorwaarde dat hij in de hoofdperiode nog volledig werkloos is. Hij heeft enerzijds recht op de dagen die binnen de overeenkomst vallen en anderzijds op een aantal bijkomende rustdagen in verhouding tot de duur van zijn arbeidsovereenkomst (elke maand tewerkstelling geeft recht op 1 rustdag).

De attesten die niet mogen overhandigd worden, moeten aan Constructiv, Koningsstraat 132 Bus 1 te 1070 Brussel (telefoon: 02/209.65.56 (dienst rustdagen) – fax: 02/209.65.00) worden teruggezonden, met vermelding van de reden van de schorsing en/of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Constructiv zal later een aangepast formulier opmaken.

 

8 Aflevering van het attest bij een tewerkstelling tijdens de inhaalrustdagen

Indien de werkgever, gebruikmakend van de voorziene uitzonderingen, zijn arbeiders tewerkstelt tijdens één of meerdere van de twaalf inhaalrustdagen, dienen deze arbeiders niettemin op het normale tijdstip het attest te ontvangen. De door Constructiv uitbetaalde vergoeding dekt dan de vervangingsrustdag(en) die binnen de zes weken of binnen de zeven maanden moet(en) worden toegekend. 

 

9 Schorsing van de opzeggingstermijn

De opzeggingstermijn die door de werkgever betekend wordt, wordt geschorst tijdens de vijf inhaalrustdagen (dus niet tijdens de weekends of op de feestdagen) die in de hoofdperiode van 24 december 2018 tot en met 31 december 2018 worden toegekend. Ook tijdens de vier inhaalrustdagen van 2 januari 2019 tem 4 januari 2019 wordt de opzegtermijn geschorst!

Vanzelfsprekend zal de opzeggingstermijn niet geschorst worden wanneer de werknemer zelf opzegt. 

 

10 Klein verlet

Het klein verlet dat tijdens de inhaalrustdagen zou vallen, moet niet worden betaald (geen loonverlies). 

 

11 Ziekte – Ongeval – Gewaarborgd loon

Tijdens de 12 inhaalrustdagen, die gedekt zijn door een vergoeding, kan er geen aanspraak gemaakt worden op gewaarborgd loon ziekte. Een arbeider die arbeidsongeschikt wordt vóór of tijdens de inhaalrustdagen heeft slechts recht op gewaarborgd loon voor de dagen die zich situeren vóór en/of na de inhaalrustdagen. 

 

12 Tijdelijke werkloosheid

Tijdens de inhaalrustdagen kunnen de arbeiders geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge slecht weer of economische redenen. De arbeiders zullen voor de inhaalrustdagen de code A (loon zonder arbeid) moeten invullen op hun nominatieve C 3.2 A controlekaart. De werkgever mag voor de inhaalrustdagen noch de met de aard van de tijdelijke werkloosheid overeenstemmende code, noch het aantal uren van tijdelijke werkloosheid in het rooster van rubriek 3 op het “C 3.2-WERKGEVER” formulier invullen.

Ingeval de werknemers tewerkgesteld zouden worden tijdens de inhaalrustdagen, dient hen eerst de inhaalrust te worden toegekend vooraleer zij tijdelijk werkloos mogen gesteld worden.

De RVA-Antwerpen is er op ons verzoek mee akkoord gegaan dat de aangevraagde periode van economische werkloosheid met 2 weken verlengd wordt door de inhaalrustperiode tussen 24 december 2018 tot en met 4 januari 2019. Van de onderbreking ingevolge inhaalrust moet wel melding gemaakt worden in de kennisgeving tot invoering van de economische werkloosheid.

De inhaalrustdagen worden gelijkgesteld met een periode van werkhervatting tussen 2 economische werkloosheidsperiodes van 4 weken, als zij in een bijlage bij het arbeidsreglement opgenomen waren. 

 

13 Betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar

Voor de betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar, dient er een onderscheid gemaakt te worden al naargelang de situatie waarin de arbeider zich bevond vóór de inhaalrustdagen:

- de arbeiders die vóór de inhaalrustdagen aan het werk of in tijdelijke werkloosheid waren, hebben recht op de betaling van deze feestdagen ten laste van hun werkgever;
- de arbeiders van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is om een andere reden dan tijdelijke werkloosheid, behouden het recht op de betaling van de feestdagen volgens de algemene regeling inzake de feestdagen;
- de arbeiders die door de werkgever - tenzij omwille van een dringende reden - vóór de inhaalrustdagen ontslagen werden en op het ogenblik dat de feestdagen vallen, nog volledig werkloos zijn, kunnen recht verkrijgen op betaling van Kerstmis en Nieuwjaar ten laste van hun vorige werkgever. Beide feestdagen moeten betaald worden indien zij binnen de 60 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vallen en de arbeider minstens 1 maand in dienst van de onderneming bleef. Als de arbeider meer dan 14 dagen en minder dan 1 maand in dienst bleef, kan hij op de betaling van maximum 1 feestdag aanspraak maken, voor zoverre die binnen de 14 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst valt.

 

14 De verwerking van de inhaalrustdagen in de DMFA-aangifte

De twaalf inhaalrustdagen worden onder de prestatiecode 12 aangegeven in de DMFA-aangifte aan de RSZ.

Zij worden als arbeidsdagen meegeteld om het bedrag van de structurele vermindering van de RSZ-bijdragen te berekenen.

 

BEDIENDEN (ANPCB NR. 218) 

Bedienden in de bouw volgen de regeling van de bouwvakarbeiders.

Ook voor hen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur op jaarbasis.

Voltijdse bedienden moeten gedurende 40 uur per week in de bouw tewerkgesteld worden en krijgen recht op twaalf inhaalrustdagen die zij op dezelfde data moeten nemen als de werklieden.

Voor elke inhaalrustdag waarop een bediende recht heeft, ontvangt hij/zij het normaal loon ten laste van de werkgever.

Belangrijk is dat:

- de bediende gebonden moet zijn door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen;
- de bediende die ontslag neemt in de loop van het jaar en die niet meer verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er niet kan van genieten; - de bediende die in de loop van het jaar in dienst treedt en die verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er volledig kan van genieten. Zo heeft een bediende die recent (bv. 16 november 2017) aangeworven werd, recht op de inhaalrustdagen die tijdens de hoofdperiode vallen indien hij/zij op dat moment nog met een arbeidsovereenkomst verbonden is;
- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt in de periode van 60 dagen die voorafgaan aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, recht heeft op volledige betaling van de rustdagen ten laste van zijn vorige werkgever, tenminste als hij/zij bij het begin van de hoofdperiode nog volledig werkloos is;
- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt vóór de periode van 60 dagen die voorafgaat aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, enkel recht heeft op de rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen.

De opzeggingstermijn van bedienden wordt niet geschorst tijdens de inhaalrustdagen die in de eindejaarsperiode vallen.

 

LEERLINGEN - Overeenkomst alternerende opleiding (afgesloten vanaf 1 september 2016)

Vanaf 1 september 2016 vervangt de overeenkomst alternerende opleiding de middenstandsleerovereenkomst en het industrieel leerlingwezen - waaronder het JLW en de ABO in de bouw ressorteren - in Vlaanderen.

In de overeenkomst alternerende opleiding waarbij er een maandelijkse leervergoeding tussen € 462,20 en € 549,90 voorzien is, zullen dezelfde regels inzake toekenning inhaalrustdagen gelden als in het kader van middenstandsleerovereenkomst. Dit betekent dat ze op de inhaalrustdagen van het werk afwezig mogen blijven en tijdens deze dagen hun recht blijven behouden op betaling van de leervergoeding namens de onderneming.

 

 

1     VAKANTIEREGELING 2019

In overleg met de sociale partners beveelt de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen voor de Provincie Antwerpen volgende vakantieregeling voor 2019 aan:

  1. collectieve sluiting van maandag, 15 juli 2019 tot en met vrijdag, 2 augustus 2019 (= 14 WD/5-dagenweek);
  2. daar in 2019 de maximale vakantieduur 20 dagen bedraagt, hebben de werknemers dus nog recht op maximaal zes dagen (in de veronderstelling dat de feestdag van zondag, 21 juli wordt vervangen door maandag, 22 juli) die zij in overleg met de werkgever, geheel of gedeeltelijk, collectief mogen vastleggen of vrij mogen kiezen. 

2     INHAALRUSTDAGEN 2019

Naast de 20 dagen vakantie waarop de werknemers maximaal aanspraak kunnen maken, hebben zij in het kader van de arbeidsduurvermindering in 2019 ook nog recht op 12 inhaalrustdagen, waarvan de data in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf als volgt zijn vastgesteld en waarvan niet mag worden afgeweken (behalve in de regelgeving voorziene uitzonderingen):

  • woensdag, 2 januari 2019;
  • donderdag, 3 januari 2019;
  • vrijdag, 4 januari 2019;
  • vrijdag, 19 april 2019 (vrijdag voor Pasen);
  • vrijdag, 31 mei 2019 (vrijdag na O.L.H. Hemelvaart);
  • vrijdag, 16 augustus 2019 (vrijdag na O.L.V. Hemelvaart);
  • de eindejaarsperiode vanaf maandag, 23 december 2019 tot en met dinsdag, 31 december 2019 (= 6 inhaalrustdagen).

PS: donderdag 2 en vrijdag 3 januari zijn inhaalrustdagen van 2020.

De werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de Elektriciens: installatie en distributie, hebben ook recht op 12 inhaalrustdagen tenzij in de onderneming een effectieve arbeidsduurvermindering (38 uur per week) of een combinatie van inhaalrust en effectieve arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd. De data van deze inhaalrustdagen mogen op het vlak van de onderneming worden bepaald.

3     FEESTDAGEN 2019

De kalender van de wettelijke feestdagen voor 2019 ziet er als volgt uit:

· maandag, 1 januari           Nieuwjaar  
· maandag, 22 april Paasmaandag  
· woensdag, 1 mei Feest van de Arbeid  
· donderdag, 30 mei Hemelvaartsdag  
· maandag, 10 juni Pinkstermaandag  
· zondag, 21 juli            Nationale Feestdag  Moet vervangen worden door een werkdag.
· donderdag, 15 augustus            O.L.V.-Hemelvaart      
· vrijdag, 1 november       Allerheiligen     
· maandag, 11 november      Wapenstilstand                    
· woensdag, 25 december      Kerstmis                      

 

4     BEKENDMAKING

Feestdagen

De data van de feestdagen moeten net zoals de 12 inhaalrustdagen[1] in het arbeidsreglement vermeld worden.

De feestdag van zondag, 21 juli 2019 moet vervangen worden door een werkdag. U dient hiervoor vóór 15 december 2018 te overleggen met uw werknemers of vakbondsafvaardiging. Indien er geen akkoord wordt bereikt wordt de feestdag van zondag, 21 juli 2019 vervangen door maandag, 22 juli 2019.

Vóór 15 december 2018 dient elke werkgever een ondertekend en gedagtekend bericht aan te plakken in de onderneming waarin de vervangingsdag van de feestdag van zondag, 21 juli 2019 wordt vermeld. Een kopie van dit bericht moet aan het arbeidsreglement worden gehecht.

 

Vakantie

De vaststelling van de data van de jaarlijkse vakantie 2019 dient op ondernemingsvlak te gebeuren. Met de syndicale afvaardiging of bij afwezigheid ervan de werknemers zelf, moet er een akkoord gemaakt worden. Zodra een akkoord is bereikt, dient een bericht met de opgave van de data van de jaarlijkse vakantie aan het arbeidsreglement gehecht te worden.

In het arbeidsreglement moet ook vermeld worden:

  • · ofwel de duur van de jaarlijkse vakantie en de modaliteiten voor de toekenning van de vakantie;
  • · ofwel de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen, met name het KB van 30 maart 1967 inzake de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers.

Deze vermelding mag in het arbeidsreglement ingevoerd worden zonder dat de procedure voor wijziging van het arbeidsreglement moet gevolgd worden. Elke werknemer moet wel een kopie van deze aanvulling ontvangen en in principe dient ook een afschrift te worden toegezonden aan het Toezicht op de Sociale Wetten. Deze aanvulling moet toegevoegd worden aan het arbeidsreglement dat ter beschikking ligt van de werknemers op een gemakkelijk toegankelijke plaats in de onderneming.

 

AANDACHT!

Van het bericht met de vermelding van de data van de jaarlijkse vakantie en van de vervangingsdag van de voormelde feestdag dient er een afschrift te worden overgemaakt aan het Toezicht op de Sociale Wetten:

voor het arrondissement Antwerpen:

Theater Building
Italiëlei 124 bus 56
2000 ANTWERPEN
Tel.: 02/233.42.30
e-mail: tsw.antwerpen@werk.belgie.be

voor het arrondissement Mechelen:

Louizastraat 1
2800 MECHELEN
Tel.: 02/233.46.40
e-mail: tsw.mechelen@werk.belgie.be

Voor het arrondissement Turnhout:

Warandestraat 49
2300 Turnhout
Tel.: 02/235.55.00
e-mail: tsw.turnhout@werk.belgie.be

U moet uw vakantie-akkoord 2019 slechts aan het Toezicht op de Sociale Wetten meedelen, wanneer dit afwijkt van het voorstel van uw regionale Confederatie. Voor de ondernemingen die het voorstel van de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen volledig toepassen, heeft het secretariaat reeds het Toezicht op de Sociale Wetten verwittigd.

De melding aan het Toezicht op de Sociale Wetten van de vervangingsdag voor 21 juli dient enkel te gebeuren als er een andere vervangingsdag voor 21 juli wordt gekozen dan 22 juli. Het secretariaat van de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen heeft het Toezicht op de Sociale Wetten reeds van die vervanging verwittigd.

 

[1] Om gelijkgesteld te kunnen worden met een periode van werkhervatting tussen twee economische werkloosheidsperiodes (bouwsector) moeten de 12 inhaalrustdagen in een bijlage bij het arbeidsreglement vermeld worden.

Sociaal secretariaat voor
het bouwbedrijf en
aanverwante sectoren

Tel. 03 203 44 11  •  Fax. 03 232 63 75

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Een scholingsbeding is een clausule waarin een werknemer die tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst op kosten van de werkgever een opleiding krijgt, zich ertoe verbindt om de werkgever een deel van de opleidingskosten terug te betalen indien hij de onderneming verlaat.

De toepassingsvoorwaarden met betrekking tot dit beding zijn bijzonder streng. Om werkgevers aan te moedigen in de opleiding van hun werknemers te investeren, wordt de minimumloonvoorwaarde geschrapt wanneer het beding betrekking heeft op een opleiding voor een beroep dat of een functie die voorkomt op de lijsten van knelpuntberoepen of moeilijk in te vullen functies.

Hierna vindt u een overzicht van alle voorwaarden om een geldig scholingsbeding te sluiten.

 

Voor welke werknemers?

Een scholingsbeding kan alleen worden gesloten in het kader van een overeenkomst van onbepaalde duur. Sectoren kunnen d.m.v. cao's bepaalde categorieën van werknemers en/of opleidingen uitsluiten van de toepassing van het scholingsbeding.  Voor het PC 124 (arbeiders bouw) en het APCB 200 – bedienden werd dit niet gedaan

Het jaarloon van de werknemer moet meer bedragen dan 34.180 euro (in 2018) – 34.819 euro (in 2019), zo niet is het beding ongeldig. 

De voorwaarde m.b.t. het minimumjaarloon is vanaf 10 november 2018 geschrapt voor bedingen die betrekking hebben op opleidingen voor een beroep dat of functies die voorkomen op de lijsten van knelpuntberoepen of moeilijk in te vullen functies van de gewesten. De plaats van tewerkstelling bepaalt welke van deze lijsten van toepassing is. Bij koninklijk besluit kan ook een afwijkende lijst worden opgesteld. 

Voor Vlaanderen kan deze lijst geraadpleegd worden op de website van de VDAB www.vdab.be.  Op deze lijst zijn de meeste bouwberoepen opgenomen.

 

Vormvoorwaarden

Het beding moet schriftelijk worden vastgesteld voor elke werknemer afzonderlijk en ten laatste op het ogenblik waarop de beoogde opleiding aanvangt. Het beding kan dus zowel bij de indiensttreding worden gesloten als tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 

Het schriftelijk stuk moet het volgende vermelden:

  • een omschrijving van de overeengekomen opleiding, de duur van de opleiding en de plaats waar de opleiding zal plaatsvinden;
  • de kosten van deze opleiding of, ingeval deze kosten niet in hun geheel kunnen worden bepaald, de kostenelementen die het mogelijk maken om de waarde van de opleiding te schatten. Het loon verschuldigd aan de werknemer in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst evenals verplaatsings- of verblijfskosten kunnen geen onderdeel vormen van de opleidingskosten.
  • de begindatum en de geldigheidsduur van het scholingsbeding. Indien de opleiding aanleiding geeft tot het afleveren van een attest, valt de begindatum van de geldigheid van het scholingsbeding samen met de aflevering van dat attest.
  • Het terug te betalen gedeelte van de scholingskosten door de werknemer als deze de onderneming vóór het einde van de geldigheidsduur verlaat (zie verder).
 

Eisen m.b.t. de opleiding

De opleiding moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • een specifieke opleiding die het mogelijk maakt om nieuwe professionele competenties te verwerven die ook buiten de onderneming kunnen worden gevaloriseerd;
  • de opleiding mag niet voortvloeien uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep uit te oefenen;
  • de opleiding moet ten minste 80 uur duren of, ingeval dit aantal uren niet wordt bereikt, de kosten moeten ten minste het dubbele bedragen van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen voor werknemers van 21 jaar of ouder (3.187,62 euro vanaf 1 september 2018).

Als aan één van die voorwaarden niet wordt voldaan, wordt het scholingsbeding geacht onbestaande te zijn. 

 

Geldigheidsduur van het beding en terugbetaling door de werknemer

De geldigheidsduur van het scholingsbeding moet worden vastgesteld rekening houdend met de kosten en de duur van de opleiding en mag niet meer dan drie jaar bedragen.

Werknemers die de onderneming verlaten vóór de in het scholingsbeding bepaalde duur is verstreken, moeten een deel van de opleidingskosten terugbetalen aan de werkgever.

Het terug te betalen bedrag mag niet hoger zijn dan: 

  • 80% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt vóór 1/3 van de overeengekomen periode;
  • 50% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt tussen 1/3 en uiterlijk 2/3 van de overeengekomen periode;
  • 20% van de opleidingskosten ingeval de werknemer vertrekt na 2/3 van de overeengekomen periode. 

In het kader van een scholingsbeding mag het bedrag nooit hoger zijn dan 30% van het jaarloon van de werknemer.   

 

Uitwerking van het scholingsbeding

Ter herinnering: een scholingsbeding heeft geen uitwerking indien:

  • de arbeidsovereenkomst hetzij door de werknemer, hetzij door de werkgever wordt beëindigd in de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden door de werkgever wordt beëindigd na de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden door de werknemer wordt beëindigd na de eerste zes maanden vanaf de aanvang van de overeenkomst;
  • de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in het kader van een herstructurering zoals bedoeld in de wet betreffende het generatiepact.

De werknemer blijft houder van zijn diploma's of certificaten en moet beschikken over het origineel of een door de opleidingsinstantie voor eensluidend verklaard afschrift.

 

Wettelijke referenties

  • Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de versoepeling van het scholingsbeding en de invoering van een scholingsbeding voor knelpuntberoepen (B.S. 31 oktober 2018, 1ste editie)
  • Artikel 22 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

ARBEIDERS (P.C. 124)

1 Realisatie van de arbeidsduurvermindering

In de bouwnijverheid wordt de arbeidsduurvermindering gerealiseerd via het toekennen van 12 rustdagen per jaar. Op die manier wordt de effectieve wekelijkse arbeidsduur, die nog steeds 40 uur bedraagt, op jaarbasis teruggebracht tot 38 uur.

De reglementaire basis van het stelsel van de rustdagen vinden we vooreerst in het KB nr. 213 van 26 september 1983. De arbeiders uit de bouwnijverheid hebben op basis van dit KB voor elk jaar recht op 6 rustdagen. De overige 6 rustdagen worden toegekend op basis van een CAO die telkens in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf wordt afgesloten.

De data van 12 inhaalrustdagen voor 2018 werden vastgesteld op:

2, 3, 4 en 5 januari, 3 en 30 april 2018 (op grond van het KB van 2 november 2017 (BS van 4 december 2017) dat het KB nr. 213 uitvoert);

11 mei, 24, 26, 27, 28 en 31 december 2018 (op grond van de CAO van 29 juni 2017 – KB van 25 februari 2018 – BS van 9 maart 2018).

 

2 Verbod op tewerkstellingen en uitzonderingen

Tijdens de 12 inhaalrustdagen geldt er een principieel verbod tot tewerkstelling, zowel ten aanzien van de bouwvakarbeiders, de bedienden, leerlingen als uitzendkrachten in de bouw. 

Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor de volgende gevallen:

a) in de gevallen waar arbeid op zondag is toegestaan (artikel 12 van de Arbeidswet van 16 maart 1971). Het gaat hierbij om ofwel:

- het toezicht op de bedrijfsruimte;

- het schoonmaken, herstellen en onderhouden, in zoverre deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn, alsmede de werkzaamheden buiten de productie, die nodig zijn voor de regelmatige hervatting van het bedrijf na de sluitingsperiode van de bouwplaatsen (bv. schilderwerken in een school tijdens de kerstvakantie);

- arbeid verricht om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of een dreigend ongeval (bv. strooiwerkzaamheden op de wegen, het herstellen van een beschadigd stuk wegdek wanneer dit niet kan uitgesteld worden);

- dringende arbeid aan machines of materieel, en arbeid die door een onvoorziene noodzaak wordt vereist;

- arbeid om beschadiging van grondstoffen of voortbrengselen te voorkomen.

b) wanneer de arbeiders belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen, met uitzondering van het vervoer. De ondernemingen voor de handel in bouwmaterialen moeten aan het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf de toestemming vragen en verkrijgen voor het tewerkstellen van arbeiders op zaterdagen (volgens de procedure die beschreven werd in de CAO van 30 juni 1980). 

c) wanneer ze tewerkgesteld zijn in de ondernemingen die op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen, gewoonlijk een periode van intense activiteit kennen.

Van dit uitzonderingsgeval kan enkel gebruik gemaakt worden tijdens de laatste zes rustdagen (11 mei, 24, 26, 27, 28 en 31 december 2018).

Onder een "intense activiteit" wordt een “activiteit verstaan die normaal gezien aanleiding zou kunnen geven tot het verrichten van bijkomende uren”. Dit uitzonderingsgeval geldt vooral voor de installateurs in centrale verwarming. 

Het werken tijdens de inhaalrustdagen kan niet gerechtvaardigd worden omdat een bepaalde uitvoeringstermijn nageleefd dient te worden. 

Wanneer van één van de uitzonderingen op het verbod tot werken tijdens de inhaalrustdagen gebruik gemaakt wordt, moet geen toelating bij de sociale inspectie aangevraagd worden. De werkgever beslist op eigen verantwoordelijkheid tot het werken tijdens de inhaalrustdagen. Wel dient een mededeling te gebeuren aan de Inspectie van de Sociale Wetten van het district waar de werken worden uitgevoerd. Deze mededeling moet indien mogelijk vooraf gebeuren, zoniet uiterlijk 24 uur na het begin van de werkzaamheden.

 

3 Vervanging van de gewerkte inhaalrustdagen

De arbeiders die tijdens één of meerdere inhaalrustdagen moeten werken, ontvangen hiervoor hun normaal loon en hebben recht op inhaalrust, die normaal binnen de 6 weken moet toegekend worden. Wanneer er arbeid werd verricht in een periode van intense activiteit, wordt deze termijn op 7 maanden gebracht.

De vervangingsrust bedraagt:

- één volle dag, indien de arbeid langer dan vier uur heeft geduurd;
- tenminste een halve dag, indien hij niet langer dan vier uur heeft geduurd. In dit geval moet de vervangingsrust vóór of na 13 uur verleend worden en mag er op die dag niet langer dan vier uur arbeid worden verricht;

en mag uiteraard niet samenvallen met rusttijden die ingevolge bv. het werken op zondag of het verrichten van overuren moeten toegekend worden. 

Arbeiders die tijdens de inhaalrustdagen werkten en nog niet alle gepresteerde dagen recupereerden, mogen niet tijdelijk werkloos gesteld worden vooraleer deze inhaalrustdagen genomen werden. 
 
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de werkgever het aantal niet toegekende inhaalrustdagen op het bewijs van volledige werkloosheid C4 vermelden.

 

4 Sancties

De werkgevers, hun lasthebbers of aangestelden die:

- de inhaalrustdagen niet toekennen;
- arbeid laten verrichten tijdens deze dagen behalve in de uitzonderingsgevallen;
- de inhaalrust bij toegelaten arbeid op een inhaalrustdag niet toekennen binnen de voorgeschreven termijn;

kunnen een sanctie van het niveau 2 volgens de bepalingen van het Strafrechtelijk Wetboek oplopen (geldboete van € 50 tot € 500 (x 6)) of kunnen een administratieve geldboete (van € 25 tot € 250 (x 6)) oplopen.

 

5 Vergoeding voor de inhaalrustdagen

Voor de inhaalrustdagen moet geen loon worden betaald door de werkgever. De vergoeding van de rustdagen is voor de bouwvakarbeiders ten laste van het Fonds voor Bestaanszekerheid (FBZ): zij betaalt een vergoeding voor de rustdagen uit via de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen (= de vakbonden of de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen).

Iedere arbeider heeft in principe recht op de betaling van alle rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Er is geen anciënniteitsvereiste, noch een pro-rataregeling.

Het bedrag van de vergoeding is afhankelijk van de looncategorie waartoe de arbeider behoort en wordt door het FBZ-Bouw vastgesteld op basis van het uurloon van de arbeider zoals opgenomen in de DMFA-aangifte van het 3de kwartaal. Bij een deeltijdse tewerkstelling wordt bij de berekening van de vergoeding rekening gehouden met de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur zoals vermeld in de DMFA-aangifte. Voor de arbeiders die in het 4de kwartaal worden aangeworven, wordt er gewerkt op basis van de DIMONA-aangifte.

Merk op! Pro-ratavergoeding rustdagen bij overmatig gebruik economische werkloosheid 

Het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf heeft op 12 september 2013 een CAO ondertekend met een bijkomende maatregel om het overmatig gebruik van economische werkloosheid te ontraden.

Arbeiders die op jaarbasis 75 dagen of meer economische werkloosheid tellen, zullen voor de rustdagen voortaan een vergoeding van het Fonds voor Bestaanszekerheid ontvangen die pro rata berekend is in functie van de gepresteerde dagen en dit volgens de volgende formule:

baremiek dagbedrag x gepresteerde dagen in referteperiode 
                                                           229

Het pro-ratadagbedrag kan niet lager zijn dan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding die wordt toegekend aan een werknemer met gezinslast  dat geldig is op 1 oktober van het jaar waarin de hoofdperiode van de rustdagen een aanvang neemt. Indien het resultaat van de voormelde berekening kleiner is dan dit minimumbedrag, wordt een pro-ratadagbedrag toegekend gelijk aan dit minimumbedrag.

Bovendien zal het Fonds de pro-ratavergoeding terugvorderen bij de werkgevers.

Indien de arbeider in de referteperiode bij slechts één werkgever was tewerkgesteld, wordt de volledige pro rata berekende vergoeding teruggevorderd bij deze werkgever.

Indien de arbeider in de referteperiode bij meerdere werkgevers was tewerkgesteld, wordt er enkel overgegaan tot terugvordering bij die werkgever(s) bij wie er een overmatig gebruik van economische werkloosheid geweest is voor de betrokken arbeider in de referteperiode.

Er is een overmatig gebruik van economische werkloosheid (EW) wanneer het resultaat van de volgende formule groter of gelijk is aan 0,3275:

             aantal dagen EW bij werkgever (WG)                      
aantal dagen DmfA bij WG – vakantiedagen – rustdagen

Het terug te vorderen bedrag wordt als volgt berekend:

bedrag pro rata x aantal dagen EW bij WG
        aantal dagen EW in referteperiode

De maatregel kadert in de afspraken tussen de sociale partners in de bouw om het structureel evenwicht in het budget van het Fonds voor Bestaanszekerheid te behouden, en is in werking getreden op 1 januari 2013.

 

6 Overhandiging en uitbetaling via het attest “Inhaalrustdagen”

De vergoedingen voor de rustdagen worden door het Fonds voor Bestaanszekerheid al voorberekend via het speciaal formulier “Rustdagen” dat begin december op naam van iedere arbeider aan de bouwbedrijven verstuurd wordt. De werkgever dient de berekening gemaakt op dit formulier na te kijken: indien het attest juist is, moet het aan de arbeider overhandigd worden.

Het totale bedrag “Rustdagen” wordt bekomen door het aantal vergoedingen waarop de arbeider recht heeft (rubriek II van het formulier) te vermenigvuldigen met het dagbedrag dat overeenstemt met de beroepscategorie van de arbeider (cfr. barema onder rubriek III van het formulier).

 

7 Correctie van het aantal voorberekende inhaalrustdagen

In sommige gevallen heeft een arbeider geen recht op de betaling van bepaalde rustdagen, niettegenstaande die dagen binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Dit is het geval wanneer zijn arbeidsovereenkomst op dat ogenblik geschorst is om één van de volgende redenen:

- wederzijdse instemming;
- arbeidsongeval of beroepsziekte;
- volledige loopbaanonderbreking of volledig tijdskrediet;
- beroepsopleiding;
- voorlopige hechtenis;
- ongerechtvaardigde afwezigheid of onbetaald verlof.

Bij schorsing wegens ziekte behoudt de arbeider het recht op betaling van de rustdag door het FBZ behalve wanneer deze schorsing al ononderbroken loopt sinds 1 januari van het jaar waarop de rustdag betrekking heeft. In geen geval kan de zieke arbeider echter de rustdag op een later tijdstip inhalen.  

In een aantal andere gevallen heeft een arbeider na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht op de betaling van rustdagen die buiten de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen:

- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die ontslagen werd (behalve om dringende reden) in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen op het einde van het jaar, heeft nog recht op betaling van de rustdagen van de hoofdperiode op voorwaarde dat hij op dat ogenblik nog volledig werkloos is. Werknemers die brugpensioen of begeleidende maatregelen genieten, hebben echter geen recht meer op de betaling van de rustdagen van de hoofdperiode;
- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van minstens drie maanden welke een einde nam in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, heeft recht op de betaling van een gedeelte van de rustdagen. Ook hier is de voorwaarde dat hij in de hoofdperiode nog volledig werkloos is. Hij heeft enerzijds recht op de dagen die binnen de overeenkomst vallen en anderzijds op een aantal bijkomende rustdagen in verhouding tot de duur van zijn arbeidsovereenkomst (elke maand tewerkstelling geeft recht op 1 rustdag).

De attesten die niet mogen overhandigd worden, moeten aan Constructiv, Koningsstraat 132 Bus 1 te 1070 Brussel (telefoon: 02/209.65.56 (dienst rustdagen) – fax: 02/209.65.00) worden teruggezonden, met vermelding van de reden van de schorsing en/of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Constructiv zal later een aangepast formulier opmaken.

 

8 Aflevering van het attest bij een tewerkstelling tijdens de inhaalrustdagen

Indien de werkgever, gebruikmakend van de voorziene uitzonderingen, zijn arbeiders tewerkstelt tijdens één of meerdere van de twaalf inhaalrustdagen, dienen deze arbeiders niettemin op het normale tijdstip het attest te ontvangen. De door Constructiv uitbetaalde vergoeding dekt dan de vervangingsrustdag(en) die binnen de zes weken of binnen de zeven maanden moet(en) worden toegekend. 

 

9 Schorsing van de opzeggingstermijn

De opzeggingstermijn die door de werkgever betekend wordt, wordt geschorst tijdens de vijf inhaalrustdagen (dus niet tijdens de weekends of op de feestdagen) die in de hoofdperiode van 24 december 2018 tot en met 31 december 2018 worden toegekend. Ook tijdens de vier inhaalrustdagen van 2 januari 2019 tem 4 januari 2019 wordt de opzegtermijn geschorst!

Vanzelfsprekend zal de opzeggingstermijn niet geschorst worden wanneer de werknemer zelf opzegt. 

 

10 Klein verlet

Het klein verlet dat tijdens de inhaalrustdagen zou vallen, moet niet worden betaald (geen loonverlies). 

 

11 Ziekte – Ongeval – Gewaarborgd loon

Tijdens de 12 inhaalrustdagen, die gedekt zijn door een vergoeding, kan er geen aanspraak gemaakt worden op gewaarborgd loon ziekte. Een arbeider die arbeidsongeschikt wordt vóór of tijdens de inhaalrustdagen heeft slechts recht op gewaarborgd loon voor de dagen die zich situeren vóór en/of na de inhaalrustdagen. 

 

12 Tijdelijke werkloosheid

Tijdens de inhaalrustdagen kunnen de arbeiders geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge slecht weer of economische redenen. De arbeiders zullen voor de inhaalrustdagen de code A (loon zonder arbeid) moeten invullen op hun nominatieve C 3.2 A controlekaart. De werkgever mag voor de inhaalrustdagen noch de met de aard van de tijdelijke werkloosheid overeenstemmende code, noch het aantal uren van tijdelijke werkloosheid in het rooster van rubriek 3 op het “C 3.2-WERKGEVER” formulier invullen.

Ingeval de werknemers tewerkgesteld zouden worden tijdens de inhaalrustdagen, dient hen eerst de inhaalrust te worden toegekend vooraleer zij tijdelijk werkloos mogen gesteld worden.

De RVA-Antwerpen is er op ons verzoek mee akkoord gegaan dat de aangevraagde periode van economische werkloosheid met 2 weken verlengd wordt door de inhaalrustperiode tussen 24 december 2018 tot en met 4 januari 2019. Van de onderbreking ingevolge inhaalrust moet wel melding gemaakt worden in de kennisgeving tot invoering van de economische werkloosheid.

De inhaalrustdagen worden gelijkgesteld met een periode van werkhervatting tussen 2 economische werkloosheidsperiodes van 4 weken, als zij in een bijlage bij het arbeidsreglement opgenomen waren. 

 

13 Betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar

Voor de betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar, dient er een onderscheid gemaakt te worden al naargelang de situatie waarin de arbeider zich bevond vóór de inhaalrustdagen:

- de arbeiders die vóór de inhaalrustdagen aan het werk of in tijdelijke werkloosheid waren, hebben recht op de betaling van deze feestdagen ten laste van hun werkgever;
- de arbeiders van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is om een andere reden dan tijdelijke werkloosheid, behouden het recht op de betaling van de feestdagen volgens de algemene regeling inzake de feestdagen;
- de arbeiders die door de werkgever - tenzij omwille van een dringende reden - vóór de inhaalrustdagen ontslagen werden en op het ogenblik dat de feestdagen vallen, nog volledig werkloos zijn, kunnen recht verkrijgen op betaling van Kerstmis en Nieuwjaar ten laste van hun vorige werkgever. Beide feestdagen moeten betaald worden indien zij binnen de 60 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vallen en de arbeider minstens 1 maand in dienst van de onderneming bleef. Als de arbeider meer dan 14 dagen en minder dan 1 maand in dienst bleef, kan hij op de betaling van maximum 1 feestdag aanspraak maken, voor zoverre die binnen de 14 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst valt.

 

14 De verwerking van de inhaalrustdagen in de DMFA-aangifte

De twaalf inhaalrustdagen worden onder de prestatiecode 12 aangegeven in de DMFA-aangifte aan de RSZ.

Zij worden als arbeidsdagen meegeteld om het bedrag van de structurele vermindering van de RSZ-bijdragen te berekenen.

 

BEDIENDEN (ANPCB NR. 218) 

Bedienden in de bouw volgen de regeling van de bouwvakarbeiders.

Ook voor hen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur op jaarbasis.

Voltijdse bedienden moeten gedurende 40 uur per week in de bouw tewerkgesteld worden en krijgen recht op twaalf inhaalrustdagen die zij op dezelfde data moeten nemen als de werklieden.

Voor elke inhaalrustdag waarop een bediende recht heeft, ontvangt hij/zij het normaal loon ten laste van de werkgever.

Belangrijk is dat:

- de bediende gebonden moet zijn door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen;
- de bediende die ontslag neemt in de loop van het jaar en die niet meer verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er niet kan van genieten; - de bediende die in de loop van het jaar in dienst treedt en die verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er volledig kan van genieten. Zo heeft een bediende die recent (bv. 16 november 2017) aangeworven werd, recht op de inhaalrustdagen die tijdens de hoofdperiode vallen indien hij/zij op dat moment nog met een arbeidsovereenkomst verbonden is;
- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt in de periode van 60 dagen die voorafgaan aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, recht heeft op volledige betaling van de rustdagen ten laste van zijn vorige werkgever, tenminste als hij/zij bij het begin van de hoofdperiode nog volledig werkloos is;
- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt vóór de periode van 60 dagen die voorafgaat aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, enkel recht heeft op de rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen.

De opzeggingstermijn van bedienden wordt niet geschorst tijdens de inhaalrustdagen die in de eindejaarsperiode vallen.

 

LEERLINGEN - Overeenkomst alternerende opleiding (afgesloten vanaf 1 september 2016)

Vanaf 1 september 2016 vervangt de overeenkomst alternerende opleiding de middenstandsleerovereenkomst en het industrieel leerlingwezen - waaronder het JLW en de ABO in de bouw ressorteren - in Vlaanderen.

In de overeenkomst alternerende opleiding waarbij er een maandelijkse leervergoeding tussen € 462,20 en € 549,90 voorzien is, zullen dezelfde regels inzake toekenning inhaalrustdagen gelden als in het kader van middenstandsleerovereenkomst. Dit betekent dat ze op de inhaalrustdagen van het werk afwezig mogen blijven en tijdens deze dagen hun recht blijven behouden op betaling van de leervergoeding namens de onderneming.

 

 

1     VAKANTIEREGELING 2019

In overleg met de sociale partners beveelt de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen voor de Provincie Antwerpen volgende vakantieregeling voor 2019 aan:

  1. collectieve sluiting van maandag, 15 juli 2019 tot en met vrijdag, 2 augustus 2019 (= 14 WD/5-dagenweek);
  2. daar in 2019 de maximale vakantieduur 20 dagen bedraagt, hebben de werknemers dus nog recht op maximaal zes dagen (in de veronderstelling dat de feestdag van zondag, 21 juli wordt vervangen door maandag, 22 juli) die zij in overleg met de werkgever, geheel of gedeeltelijk, collectief mogen vastleggen of vrij mogen kiezen. 

2     INHAALRUSTDAGEN 2019

Naast de 20 dagen vakantie waarop de werknemers maximaal aanspraak kunnen maken, hebben zij in het kader van de arbeidsduurvermindering in 2019 ook nog recht op 12 inhaalrustdagen, waarvan de data in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf als volgt zijn vastgesteld en waarvan niet mag worden afgeweken (behalve in de regelgeving voorziene uitzonderingen):

  • woensdag, 2 januari 2019;
  • donderdag, 3 januari 2019;
  • vrijdag, 4 januari 2019;
  • vrijdag, 19 april 2019 (vrijdag voor Pasen);
  • vrijdag, 31 mei 2019 (vrijdag na O.L.H. Hemelvaart);
  • vrijdag, 16 augustus 2019 (vrijdag na O.L.V. Hemelvaart);
  • de eindejaarsperiode vanaf maandag, 23 december 2019 tot en met dinsdag, 31 december 2019 (= 6 inhaalrustdagen).

PS: donderdag 2 en vrijdag 3 januari zijn inhaalrustdagen van 2020.

De werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de Elektriciens: installatie en distributie, hebben ook recht op 12 inhaalrustdagen tenzij in de onderneming een effectieve arbeidsduurvermindering (38 uur per week) of een combinatie van inhaalrust en effectieve arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd. De data van deze inhaalrustdagen mogen op het vlak van de onderneming worden bepaald.

3     FEESTDAGEN 2019

De kalender van de wettelijke feestdagen voor 2019 ziet er als volgt uit:

· maandag, 1 januari           Nieuwjaar  
· maandag, 22 april Paasmaandag  
· woensdag, 1 mei Feest van de Arbeid  
· donderdag, 30 mei Hemelvaartsdag  
· maandag, 10 juni Pinkstermaandag  
· zondag, 21 juli            Nationale Feestdag  Moet vervangen worden door een werkdag.
· donderdag, 15 augustus            O.L.V.-Hemelvaart      
· vrijdag, 1 november       Allerheiligen     
· maandag, 11 november      Wapenstilstand                    
· woensdag, 25 december      Kerstmis                      

 

4     BEKENDMAKING

Feestdagen

De data van de feestdagen moeten net zoals de 12 inhaalrustdagen[1] in het arbeidsreglement vermeld worden.

De feestdag van zondag, 21 juli 2019 moet vervangen worden door een werkdag. U dient hiervoor vóór 15 december 2018 te overleggen met uw werknemers of vakbondsafvaardiging. Indien er geen akkoord wordt bereikt wordt de feestdag van zondag, 21 juli 2019 vervangen door maandag, 22 juli 2019.

Vóór 15 december 2018 dient elke werkgever een ondertekend en gedagtekend bericht aan te plakken in de onderneming waarin de vervangingsdag van de feestdag van zondag, 21 juli 2019 wordt vermeld. Een kopie van dit bericht moet aan het arbeidsreglement worden gehecht.

 

Vakantie

De vaststelling van de data van de jaarlijkse vakantie 2019 dient op ondernemingsvlak te gebeuren. Met de syndicale afvaardiging of bij afwezigheid ervan de werknemers zelf, moet er een akkoord gemaakt worden. Zodra een akkoord is bereikt, dient een bericht met de opgave van de data van de jaarlijkse vakantie aan het arbeidsreglement gehecht te worden.

In het arbeidsreglement moet ook vermeld worden:

  • · ofwel de duur van de jaarlijkse vakantie en de modaliteiten voor de toekenning van de vakantie;
  • · ofwel de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen, met name het KB van 30 maart 1967 inzake de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers.

Deze vermelding mag in het arbeidsreglement ingevoerd worden zonder dat de procedure voor wijziging van het arbeidsreglement moet gevolgd worden. Elke werknemer moet wel een kopie van deze aanvulling ontvangen en in principe dient ook een afschrift te worden toegezonden aan het Toezicht op de Sociale Wetten. Deze aanvulling moet toegevoegd worden aan het arbeidsreglement dat ter beschikking ligt van de werknemers op een gemakkelijk toegankelijke plaats in de onderneming.

 

AANDACHT!

Van het bericht met de vermelding van de data van de jaarlijkse vakantie en van de vervangingsdag van de voormelde feestdag dient er een afschrift te worden overgemaakt aan het Toezicht op de Sociale Wetten:

voor het arrondissement Antwerpen:

Theater Building
Italiëlei 124 bus 56
2000 ANTWERPEN
Tel.: 02/233.42.30
e-mail: tsw.antwerpen@werk.belgie.be

voor het arrondissement Mechelen:

Louizastraat 1
2800 MECHELEN
Tel.: 02/233.46.40
e-mail: tsw.mechelen@werk.belgie.be

Voor het arrondissement Turnhout:

Warandestraat 49
2300 Turnhout
Tel.: 02/235.55.00
e-mail: tsw.turnhout@werk.belgie.be

U moet uw vakantie-akkoord 2019 slechts aan het Toezicht op de Sociale Wetten meedelen, wanneer dit afwijkt van het voorstel van uw regionale Confederatie. Voor de ondernemingen die het voorstel van de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen volledig toepassen, heeft het secretariaat reeds het Toezicht op de Sociale Wetten verwittigd.

De melding aan het Toezicht op de Sociale Wetten van de vervangingsdag voor 21 juli dient enkel te gebeuren als er een andere vervangingsdag voor 21 juli wordt gekozen dan 22 juli. Het secretariaat van de Confederatie Bouw Provincie Antwerpen heeft het Toezicht op de Sociale Wetten reeds van die vervanging verwittigd.

 

[1] Om gelijkgesteld te kunnen worden met een periode van werkhervatting tussen twee economische werkloosheidsperiodes (bouwsector) moeten de 12 inhaalrustdagen in een bijlage bij het arbeidsreglement vermeld worden.

Onze log-in is momenteel enkel beschikbaar op desktop.

Terugbetaling Gewaarborgd Loon Serviam Plus

Terugbetalingen gewaarborgd loon mogelijk voor uw bouwvakarbeiders!

Lees meer...

Serviam Plus ESV

Er zijn sociaal secretariaten en er is Serviam Plus, de partner die met u meedenkt en soepel inspeelt op al uw vragen.

Lees meer...

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Mobiliteitsvergoeding bouw

Voor de verplaatsingen die de arbeiders en bedienden in de bouw doen, is in vele gevallen een tegemoetkoming in de reiskosten door de werkgever verschuldigd.

Lees meer...