Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Het loon van bouwvakarbeiders is afhankelijk van hun beroepsbekwaamheid, zoals die bepaald wordt door de werkgever. Men onderscheidt verschillende bekwaamheidscategorieën, die elk overeenstemmen met een bepaald basisbarema.

Basisbarema

Categorie   I Categorie   I A Categorie   II Categorie   II A Categorie   III Categorie   IV Gemiddeld   loon
14,128 14,829 15,059 15,811 16,016 17,000 15,47383

 

Wijzigingen ten opzichte van de vorige lonen:

  Categorie   I Categorie   I A Categorie   II Categorie   II A Categorie   III Categorie   IV Gemiddeld   loon
 
Index + 0,075 + 0,079 + 0,080 + 0,084 + 0,085 + 0,090 + 0,08216

 

Toepassingsmodaliteiten in verband met de uitbetaling van de lonen:

- De werkgever is met zijn verplichtingen in orde zodra hij de lonen betaalt welke voorkomen in de conventionele schaal; het toekennen van hogere lonen wordt alleen door de werkgever beoordeeld. - Wanneer een arbeider van een vorige werkgever een loon had verkregen dat hoger lag dan datgene dat in de conventionele schaal is opgenomen, dan is er voor de nieuwe werkgever geen verplichting datzelfde loon toe te kennen. De aanwerving kan dus altijd geschieden met strikte toepassing van de lonen die in de conventionele schaal zijn opgegeven.

Loonbijslagen

Categorieën Toepasselijk van 01/07/2018 tem 30/09/2018
Basisuurloon Toeslag Totaal
Meestergast   (categorie IV + loonbijslag) 17,000 + 3,400 20,400
Ploegbaas A   (categorie III + loonbijslag) 16,016 + 1,602 17,618
Ploegbaas B   (categorie IV + loonbijslag) 17,000 + 1,700 18,700
Toeslag cao van 10/05/1990 (Petrochemie) Wijziging per 01/07/2018 Nieuw bedrag
+ 0,003 0,616

 

Vergoedingen voor kost en huisvesting

Bedragen te betalen door de werkgevers die niet zelf huisvesting en kost verschaffen aan de arbeiders die op een plaats zijn tewerkgesteld die zo ver van hun woonplaats verwijderd is dat zij niet dagelijks naar huis terug kunnen keren.

Aard van de vergoeding Bedragen der vergoedingen
Van 01/10/2017 t/m 31/12/2017 Van 01/01/2018 t/m 31/03/2018 Van 01/04/2018 t/m 30/06/2018 Van 01/07/2018 t/m 30/09/2018

Huisvesting 

Kost

12,77

26,86

12,79

26,91

12,83

27,01

12,89

27,16

Totaal 39,63 39,70 39,84 40,05

 

Het bouwleerlingwezen

Door de 6e staatshervorming is de bevoegdheid voor het industrieel leerlingwezen overgedragen aan de Gemeenschappen. De wijzigingen die de verschillende Gemeenschappen intussen hebben aangebracht aan stelsels van alternerend leren en werken, hebben tot gevolg dat er geen nieuwe industriële leerovereenkomsten meer kunnen afgesloten worden. Voor de lopende overeenkomsten blijft het onderstaand barema wel nog van toepassing.

Bedrag vergoedingen:

Leeftijd Vergoeding 1e maand Vergoeding volgende maanden
15 jaar 333,40 500,10
16 jaar 364,70 547,00
17 jaar 395,90 593,80
18 jaar 427,20 640,70
19 jaar 458,40 687,60
20 jaar 489,70 734,50
21 jaar en + 520,90 781,30

Barema voor arbeiders onderworpen aan de deeltijdse leerplicht

Gelet op de opleidingsperiode van toepassing op jonge arbeiders en het vergemakkelijken van de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt wordt het minimumloon van de arbeider onderworpen aan de deeltijdse leerplicht als volgt vastgelegd:

 
15 jaar 7,629
15 jaar en 6 maanden 8,336
16 jaar 9,042
16 jaar en 6 maanden 10,455
17 jaar 11,868
17 jaar en 6 maanden 13,280
18 jaar 14,128

 

Studentenarbeid: loon

Het minimum uurloon voor studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, is als volgt vastgesteld, ongeacht de periode van tewerkstelling:

- 9,320 € indien het gaat om een student die geen opleiding bouw volgt; 

- 10,160 € indien het gaat om een student die wel een opleiding bouw volgt.

In onderstaand document vindt u meer info omtrent de categorieën van beroepsbekwaamheid van toepassing in de bouwsector.

download pdfCategorieën van werklieden PC 124

De nieuwe maatregel inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat op locatie, werd voor het eerst op 11 juni ll. becommentarieerd door de fiscus.

De eerste commentaar die u hier aantreft, bevat weinig nieuwigheden en lost de talrijke praktische vragen, waarmee de ondernemingen en de sociale secretariaten geconfronteerd worden, helaas niet op.

Belangrijke vragen zoals:

  • welke bezoldigingselementen komen in aanmerking (bijv. ook de mobiliteitsvergoeding in de bouwsector? Toeslagpremies? Overloon? …)
  • vallen bepaalde activiteiten (zoals bijvoorbeeld stellingbouw) ook onder de noemer van onroerende werken?
  • is er cumulatie mogelijk tussen deze nieuwe regeling  en de “klassieke” vrijstelling van ploegenarbeid van 22,80 % en zo ja, in welke volgorde?

worden door de Fiscale Circulaire niet opgelost.

Wij blijven op duidelijke antwoorden aandringen en volgen deze nieuwe maatregel, die een belangrijkere lastenverlaging inhoudt voor de bouwbedrijven en andere bedrijven die onroerend werk verrichten, op de voet volgen.

Ondertussen is het voor de bedrijven nuttig om bij te houden wie, waar en met wie van de collega’s, onroerende werken op werven verrichtte.

Op die manier kunnen wij – op het ogenblik dat de fiscus volledige klaarheid schenkt -  de belangrijke lastenverlaging correct en dat met terugwerkende kracht sedert het begin van dit jaar toepassen.

Referentie: Fiscale Circulaire 2018/C/73 d.d. 11 juni 2018

Voortaan kan een werknemer onder bepaalde voorwaarden zijn bedrijfswagen inruilen tegen een som geld, de “mobiliteitsvergoeding” genoemd. Deze mobiliteitsvergoeding mag niet verward worden met de vergoeding die we kennen voor onder meer de arbeiders in de bouwsector :  het gaat hier in feite om het “cash for car” principe waarbij de werknemers hun bedrijfswagen inleveren voor een extra financiële vergoeding.

Wij bespreken hierna de hoofdlijnen van de nieuwe reglementering.

  1. Keuzevrijheid

Aan de basis van de mobiliteitsvergoeding ligt een dubbele keuzevrijheid.

Een werkgever kan aan zijn werknemers de mogelijkheid bieden om hun bedrijfswagen in te ruilen tegen een bedrag in geld. De invoering van een mobiliteitsvergoeding behoort tot de uitsluitende beslissingsbevoegdheid van de werkgever. Eventuele voorwaarden die de werkgever hieraan wil verbinden, dienen bij de invoering van de mobiliteitsvergoeding ter kennis te worden gebracht aan alle werknemers.

De werknemers kunnen op hun beurt vrij kiezen om hierop al dan niet in te gaan.

  1. Voorwaarden en gevolgen

De werkgever kan een mobiliteitsvergoeding maar invoeren wanneer hij gedurende een ononderbroken periode van minstens 36 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de invoering, één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld van één of meerdere werknemers.

Voor de werknemer is er een dubbele voorwaarde. Hij komt pas in aanmerking voor een mobiliteitsvergoeding wanneer hij :

  • op het moment van de aanvraag minstens 3 maanden ononderbroken over een bedrijfswagen beschikt
  • én in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt of heeft beschikt bij de huidige werkgever.

Voor startende werkgevers en nieuwe werknemers zijn er afwijkingen.

De aanvraag van de mobiliteitsvergoeding door de werknemer moet schriftelijk gebeuren en de werkgever moet op zijn beurt zijn beslissing schriftelijk ter kennis brengen aan de werknemer. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever om op deze aanvraag in te gaan, vormen een overeenkomst die deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst gesloten tussen beide partijen.

Deze overeenkomst wordt voorafgaandelijk aan de eerste uitbetaling van de mobiliteitsvergoeding opgesteld en vermeldt onder andere ook het basisbedrag van de mobiliteitsvergoeding. Zij is te beschouwen als een “sociaal document” wat betekent dat het niet bijhouden ervan aanleiding kan geven tot toepassing van sancties die in het Sociaal Strafwetboek werden opgenomen.

De toekenning van de mobiliteitsvergoeding heeft tot gevolg dat het voordeel van de ingeruilde bedrijfswagen (en van alle andere erop betrekking hebbende voordelen zoals een tankkaart) volledig verdwijnt voor de werknemer en dit vanaf de eerste dag van de maand waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend.

De werknemer die kiest voor een mobiliteitsvergoeding moet nadien zelf instaan voor de kosten van de woon-werkverplaatsing. Indien de werkgever toch zou tussenkomen in deze kosten, dan geldt er geen vrijstelling. Dit wil concreet zeggen dat de tussenkomst wordt beschouwd als loon, dus onderworpen aan RSZ en belastingen. Dit is echter niet van toepassing voor de werknemer die tijdens de 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag van de mobiliteitsvergoeding zowel het voordeel van een bedrijfswagen had als een vergoeding of een voordeel ontving voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Hij/zij kan dus van de bijhorende vrijstellingen blijven genieten na inlevering van de bedrijfswagen.

Indien een werknemer over verschillende bedrijfswagens zou beschikken, gelden er specifieke bepalingen.

  1. Duur van toekenning van de mobiliteitsvergoeding

De mobiliteitsvergoeding blijft toegekend zolang de werknemer geen bedrijfswagen meer ter beschikking heeft.

 De toekenning van de mobiliteitsvergoeding stopt uiterlijk de eerste dag van de maand:

  • waarin de werknemer een functie uitoefent waarvoor geen bedrijfswagen is voorzien in het verloningssysteem van de werkgever;
  • waarin de werknemer opnieuw beschikt over een bedrijfswagen.
  1. Bedrag

 De mobiliteitsvergoeding bestaat uit een geldbedrag dat overeenstemt met de waarde op jaarbasis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen.

De mobiliteitsvergoeding is op jaarbasis gelijk aan 20% van 6/7de van de cataloguswaarde in nieuwe staat van de ingeruilde bedrijfswagen. Onder cataloguswaarde verstaan we de catalogusprijs van de wagen in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en accessoires en de werkelijk betaalde BTW, zonder rekening te houden met kortingen.

Indien de werkgever ook tussenkwam in de brandstofkosten, wordt de waarde van het voordeel vastgesteld op 24% van 6/7de van de cataloguswaarde van de ingeruilde bedrijfswagen.

Wanneer de werknemer een eigen bijdrage betaalde voor de ingeleverde wagen wordt deze eigen bijdrage, betaald tijdens de laatste maand voor de inlevering van de wagen en geprorateerd op jaarbasis, in mindering gebracht van de waarde van het gebruiksvoordeel van de bedrijfswagen.

De toekenning van de bedrijfswagen die ingeruild werd voor de mobiliteitsvergoeding mag niet gekoppeld geweest zijn aan een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of aanvulling hierbij.

  1. Sociale en fiscale behandeling

 De bedragen die toegekend worden als mobiliteitsvergoeding zijn uitgesloten uit het loonbegrip en dus niet onderworpen aan gewone sociale zekerheidsbijdragen. De werkgever is echter wel een solidariteitsbijdrage verschuldigd. Het bedrag van deze bijdrage is gelijk aan het bedrag van de CO2 -solidariteitsbijdrage die verschuldigd was voor de ingeleverde bedrijfswagen voor de maand voorafgaand aan de maand waarin de bedrijfswagen door de mobiliteitsvergoeding werd vervangen en wordt op dezelfde wijze geïndexeerd. De solidariteitsbijdrage is verschuldigd voor de volledige periode van de mobiliteitsvergoeding.

De mobiliteitsvergoeding  vormt een belastbaar voordeel voor de werknemer.

Het jaarlijks belastbare voordeel van de mobiliteitsvergoeding voor de werknemer is gelijk aan 4% van 6/7de van de cataloguswaarde van de ingeruilde bedrijfswagen (met een minimum van € 1.310: geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2019). Het belastbaar voordeel wordt elk jaar op 1 januari geïndexeerd.

  1. Vanaf 1 januari 2018

De nieuwe reglementering werd pas op 7 mei 2018 in het Staatsblad gepubliceerd, maar is direct toepasbaar.  Er werd immers voorzien dat ze met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 kan ingaan.

Wettelijke referentie: Wet d.d. 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, B.S. 7 mei 2018.

Sociaal secretariaat voor
het bouwbedrijf en
aanverwante sectoren

Tel. 03 203 44 11  •  Fax. 03 232 63 75

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Het loon van bouwvakarbeiders is afhankelijk van hun beroepsbekwaamheid, zoals die bepaald wordt door de werkgever. Men onderscheidt verschillende bekwaamheidscategorieën, die elk overeenstemmen met een bepaald basisbarema.

Basisbarema

Categorie   I Categorie   I A Categorie   II Categorie   II A Categorie   III Categorie   IV Gemiddeld   loon
14,128 14,829 15,059 15,811 16,016 17,000 15,47383

 

Wijzigingen ten opzichte van de vorige lonen:

  Categorie   I Categorie   I A Categorie   II Categorie   II A Categorie   III Categorie   IV Gemiddeld   loon
 
Index + 0,075 + 0,079 + 0,080 + 0,084 + 0,085 + 0,090 + 0,08216

 

Toepassingsmodaliteiten in verband met de uitbetaling van de lonen:

- De werkgever is met zijn verplichtingen in orde zodra hij de lonen betaalt welke voorkomen in de conventionele schaal; het toekennen van hogere lonen wordt alleen door de werkgever beoordeeld. - Wanneer een arbeider van een vorige werkgever een loon had verkregen dat hoger lag dan datgene dat in de conventionele schaal is opgenomen, dan is er voor de nieuwe werkgever geen verplichting datzelfde loon toe te kennen. De aanwerving kan dus altijd geschieden met strikte toepassing van de lonen die in de conventionele schaal zijn opgegeven.

Loonbijslagen

Categorieën Toepasselijk van 01/07/2018 tem 30/09/2018
Basisuurloon Toeslag Totaal
Meestergast   (categorie IV + loonbijslag) 17,000 + 3,400 20,400
Ploegbaas A   (categorie III + loonbijslag) 16,016 + 1,602 17,618
Ploegbaas B   (categorie IV + loonbijslag) 17,000 + 1,700 18,700
Toeslag cao van 10/05/1990 (Petrochemie) Wijziging per 01/07/2018 Nieuw bedrag
+ 0,003 0,616

 

Vergoedingen voor kost en huisvesting

Bedragen te betalen door de werkgevers die niet zelf huisvesting en kost verschaffen aan de arbeiders die op een plaats zijn tewerkgesteld die zo ver van hun woonplaats verwijderd is dat zij niet dagelijks naar huis terug kunnen keren.

Aard van de vergoeding Bedragen der vergoedingen
Van 01/10/2017 t/m 31/12/2017 Van 01/01/2018 t/m 31/03/2018 Van 01/04/2018 t/m 30/06/2018 Van 01/07/2018 t/m 30/09/2018

Huisvesting 

Kost

12,77

26,86

12,79

26,91

12,83

27,01

12,89

27,16

Totaal 39,63 39,70 39,84 40,05

 

Het bouwleerlingwezen

Door de 6e staatshervorming is de bevoegdheid voor het industrieel leerlingwezen overgedragen aan de Gemeenschappen. De wijzigingen die de verschillende Gemeenschappen intussen hebben aangebracht aan stelsels van alternerend leren en werken, hebben tot gevolg dat er geen nieuwe industriële leerovereenkomsten meer kunnen afgesloten worden. Voor de lopende overeenkomsten blijft het onderstaand barema wel nog van toepassing.

Bedrag vergoedingen:

Leeftijd Vergoeding 1e maand Vergoeding volgende maanden
15 jaar 333,40 500,10
16 jaar 364,70 547,00
17 jaar 395,90 593,80
18 jaar 427,20 640,70
19 jaar 458,40 687,60
20 jaar 489,70 734,50
21 jaar en + 520,90 781,30

Barema voor arbeiders onderworpen aan de deeltijdse leerplicht

Gelet op de opleidingsperiode van toepassing op jonge arbeiders en het vergemakkelijken van de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt wordt het minimumloon van de arbeider onderworpen aan de deeltijdse leerplicht als volgt vastgelegd:

 
15 jaar 7,629
15 jaar en 6 maanden 8,336
16 jaar 9,042
16 jaar en 6 maanden 10,455
17 jaar 11,868
17 jaar en 6 maanden 13,280
18 jaar 14,128

 

Studentenarbeid: loon

Het minimum uurloon voor studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, is als volgt vastgesteld, ongeacht de periode van tewerkstelling:

- 9,320 € indien het gaat om een student die geen opleiding bouw volgt; 

- 10,160 € indien het gaat om een student die wel een opleiding bouw volgt.

In onderstaand document vindt u meer info omtrent de categorieën van beroepsbekwaamheid van toepassing in de bouwsector.

download pdfCategorieën van werklieden PC 124

De nieuwe maatregel inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat op locatie, werd voor het eerst op 11 juni ll. becommentarieerd door de fiscus.

De eerste commentaar die u hier aantreft, bevat weinig nieuwigheden en lost de talrijke praktische vragen, waarmee de ondernemingen en de sociale secretariaten geconfronteerd worden, helaas niet op.

Belangrijke vragen zoals:

  • welke bezoldigingselementen komen in aanmerking (bijv. ook de mobiliteitsvergoeding in de bouwsector? Toeslagpremies? Overloon? …)
  • vallen bepaalde activiteiten (zoals bijvoorbeeld stellingbouw) ook onder de noemer van onroerende werken?
  • is er cumulatie mogelijk tussen deze nieuwe regeling  en de “klassieke” vrijstelling van ploegenarbeid van 22,80 % en zo ja, in welke volgorde?

worden door de Fiscale Circulaire niet opgelost.

Wij blijven op duidelijke antwoorden aandringen en volgen deze nieuwe maatregel, die een belangrijkere lastenverlaging inhoudt voor de bouwbedrijven en andere bedrijven die onroerend werk verrichten, op de voet volgen.

Ondertussen is het voor de bedrijven nuttig om bij te houden wie, waar en met wie van de collega’s, onroerende werken op werven verrichtte.

Op die manier kunnen wij – op het ogenblik dat de fiscus volledige klaarheid schenkt -  de belangrijke lastenverlaging correct en dat met terugwerkende kracht sedert het begin van dit jaar toepassen.

Referentie: Fiscale Circulaire 2018/C/73 d.d. 11 juni 2018

Voortaan kan een werknemer onder bepaalde voorwaarden zijn bedrijfswagen inruilen tegen een som geld, de “mobiliteitsvergoeding” genoemd. Deze mobiliteitsvergoeding mag niet verward worden met de vergoeding die we kennen voor onder meer de arbeiders in de bouwsector :  het gaat hier in feite om het “cash for car” principe waarbij de werknemers hun bedrijfswagen inleveren voor een extra financiële vergoeding.

Wij bespreken hierna de hoofdlijnen van de nieuwe reglementering.

  1. Keuzevrijheid

Aan de basis van de mobiliteitsvergoeding ligt een dubbele keuzevrijheid.

Een werkgever kan aan zijn werknemers de mogelijkheid bieden om hun bedrijfswagen in te ruilen tegen een bedrag in geld. De invoering van een mobiliteitsvergoeding behoort tot de uitsluitende beslissingsbevoegdheid van de werkgever. Eventuele voorwaarden die de werkgever hieraan wil verbinden, dienen bij de invoering van de mobiliteitsvergoeding ter kennis te worden gebracht aan alle werknemers.

De werknemers kunnen op hun beurt vrij kiezen om hierop al dan niet in te gaan.

  1. Voorwaarden en gevolgen

De werkgever kan een mobiliteitsvergoeding maar invoeren wanneer hij gedurende een ononderbroken periode van minstens 36 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de invoering, één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld van één of meerdere werknemers.

Voor de werknemer is er een dubbele voorwaarde. Hij komt pas in aanmerking voor een mobiliteitsvergoeding wanneer hij :

  • op het moment van de aanvraag minstens 3 maanden ononderbroken over een bedrijfswagen beschikt
  • én in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt of heeft beschikt bij de huidige werkgever.

Voor startende werkgevers en nieuwe werknemers zijn er afwijkingen.

De aanvraag van de mobiliteitsvergoeding door de werknemer moet schriftelijk gebeuren en de werkgever moet op zijn beurt zijn beslissing schriftelijk ter kennis brengen aan de werknemer. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever om op deze aanvraag in te gaan, vormen een overeenkomst die deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst gesloten tussen beide partijen.

Deze overeenkomst wordt voorafgaandelijk aan de eerste uitbetaling van de mobiliteitsvergoeding opgesteld en vermeldt onder andere ook het basisbedrag van de mobiliteitsvergoeding. Zij is te beschouwen als een “sociaal document” wat betekent dat het niet bijhouden ervan aanleiding kan geven tot toepassing van sancties die in het Sociaal Strafwetboek werden opgenomen.

De toekenning van de mobiliteitsvergoeding heeft tot gevolg dat het voordeel van de ingeruilde bedrijfswagen (en van alle andere erop betrekking hebbende voordelen zoals een tankkaart) volledig verdwijnt voor de werknemer en dit vanaf de eerste dag van de maand waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend.

De werknemer die kiest voor een mobiliteitsvergoeding moet nadien zelf instaan voor de kosten van de woon-werkverplaatsing. Indien de werkgever toch zou tussenkomen in deze kosten, dan geldt er geen vrijstelling. Dit wil concreet zeggen dat de tussenkomst wordt beschouwd als loon, dus onderworpen aan RSZ en belastingen. Dit is echter niet van toepassing voor de werknemer die tijdens de 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag van de mobiliteitsvergoeding zowel het voordeel van een bedrijfswagen had als een vergoeding of een voordeel ontving voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Hij/zij kan dus van de bijhorende vrijstellingen blijven genieten na inlevering van de bedrijfswagen.

Indien een werknemer over verschillende bedrijfswagens zou beschikken, gelden er specifieke bepalingen.

  1. Duur van toekenning van de mobiliteitsvergoeding

De mobiliteitsvergoeding blijft toegekend zolang de werknemer geen bedrijfswagen meer ter beschikking heeft.

 De toekenning van de mobiliteitsvergoeding stopt uiterlijk de eerste dag van de maand:

  • waarin de werknemer een functie uitoefent waarvoor geen bedrijfswagen is voorzien in het verloningssysteem van de werkgever;
  • waarin de werknemer opnieuw beschikt over een bedrijfswagen.
  1. Bedrag

 De mobiliteitsvergoeding bestaat uit een geldbedrag dat overeenstemt met de waarde op jaarbasis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen.

De mobiliteitsvergoeding is op jaarbasis gelijk aan 20% van 6/7de van de cataloguswaarde in nieuwe staat van de ingeruilde bedrijfswagen. Onder cataloguswaarde verstaan we de catalogusprijs van de wagen in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en accessoires en de werkelijk betaalde BTW, zonder rekening te houden met kortingen.

Indien de werkgever ook tussenkwam in de brandstofkosten, wordt de waarde van het voordeel vastgesteld op 24% van 6/7de van de cataloguswaarde van de ingeruilde bedrijfswagen.

Wanneer de werknemer een eigen bijdrage betaalde voor de ingeleverde wagen wordt deze eigen bijdrage, betaald tijdens de laatste maand voor de inlevering van de wagen en geprorateerd op jaarbasis, in mindering gebracht van de waarde van het gebruiksvoordeel van de bedrijfswagen.

De toekenning van de bedrijfswagen die ingeruild werd voor de mobiliteitsvergoeding mag niet gekoppeld geweest zijn aan een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of aanvulling hierbij.

  1. Sociale en fiscale behandeling

 De bedragen die toegekend worden als mobiliteitsvergoeding zijn uitgesloten uit het loonbegrip en dus niet onderworpen aan gewone sociale zekerheidsbijdragen. De werkgever is echter wel een solidariteitsbijdrage verschuldigd. Het bedrag van deze bijdrage is gelijk aan het bedrag van de CO2 -solidariteitsbijdrage die verschuldigd was voor de ingeleverde bedrijfswagen voor de maand voorafgaand aan de maand waarin de bedrijfswagen door de mobiliteitsvergoeding werd vervangen en wordt op dezelfde wijze geïndexeerd. De solidariteitsbijdrage is verschuldigd voor de volledige periode van de mobiliteitsvergoeding.

De mobiliteitsvergoeding  vormt een belastbaar voordeel voor de werknemer.

Het jaarlijks belastbare voordeel van de mobiliteitsvergoeding voor de werknemer is gelijk aan 4% van 6/7de van de cataloguswaarde van de ingeruilde bedrijfswagen (met een minimum van € 1.310: geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2019). Het belastbaar voordeel wordt elk jaar op 1 januari geïndexeerd.

  1. Vanaf 1 januari 2018

De nieuwe reglementering werd pas op 7 mei 2018 in het Staatsblad gepubliceerd, maar is direct toepasbaar.  Er werd immers voorzien dat ze met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 kan ingaan.

Wettelijke referentie: Wet d.d. 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, B.S. 7 mei 2018.

Onze log-in is momenteel enkel beschikbaar op desktop.

Terugbetaling Gewaarborgd Loon Serviam Plus

Terugbetalingen gewaarborgd loon mogelijk voor uw bouwvakarbeiders!

Lees meer...

Serviam Plus ESV

Er zijn sociaal secretariaten en er is Serviam Plus, de partner die met u meedenkt en soepel inspeelt op al uw vragen.

Lees meer...

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Mobiliteitsvergoeding bouw

Voor de verplaatsingen die de arbeiders en bedienden in de bouw doen, is in vele gevallen een tegemoetkoming in de reiskosten door de werkgever verschuldigd.

Lees meer...